Dametjes

Het is een warme, regenachtige zaterdag. Samen met een paar collega’s sta ik bij de hoofdentree. Buiten de poort is het druk. Mensen wachten in groepjes en turen in de verte. Maar de rouwstoet komt pas over een uur uit de nabijgelegen Koningskerk. Dan rijdt een klein blauw autootje de begraafplaats op. Twee dametjes, minstens tachtig, stoppen als Cees zijn hand opsteekt. ‘Dames’, zegt hij, ‘u kunt vanmiddag niet zomaar het terrein op. Er komt zo dadelijk een belangrijke uitvaart en op verzoek van de politie mogen we geen auto’s toelaten’. Cees is een gouden kracht als het gaat om de omgang met nabestaanden, maar dit keer maakt zijn rustige en vriendelijke uitstraling geen enkele indruk. ‘We mogen toch zeker op grafbezoek als wij dat willen’, roept het ene dametje.  ‘Wie denkt die Majoor Bosshardt wel dat ze is, is ze soms beter dan een ander’, schept de ander er vinnig bovenop. Cees voelt onmiddellijk dat dit kan uitlopen op een ordinaire ruzie. Hij wijst snel naar onze kleine parkeer-plaats. Het autootje rijdt door. Als de bestuurster Cees is gepasseerd blikt ze snel over haar schouder of hij kijkt en geeft gas. Een blauwe flits en de dametjes zijn verdwenen, het park in. We zijn verbluft over zoveel onverwachte brutaliteit. ‘Ik pak wel even het golfkarretje en ga achter ze aan’, zegt Cees.

Een kwartier later is hij terug. Het autootje blijft rondjes rijden, hij krijgt ze niet te pakken. ‘Ik ga wel met ze praten’, zeg ik terwijl ik in het golfkarretje stap. Ergens achter in het park zie ik de dametjes op een bankje zitten. Ze kijken kwaad mijn kant uit. ‘Dames’, begin ik voorzichtig, ‘wat bent u eigenlijk aan het doen?’ Een stortvloed aan woorden is het gevolg. Dat niemand ze kan tegenhouden om De Nieuwe Ooster te bezoeken. Dat ze net zoveel rechten hebben als de Majoor. Dat ze zich niks laten vertellen. Sussend probeer ik er tussen te komen. Pas als ik zeg dat de maatregel bedoeld is om te voorkomen dat mensen in de rouwstoet terecht komen, kalmeren de dametjes een beetje. Ze gaan nog naar een paar graven en dan gaan ze weg, beloven ze. Een beetje dreigend zeg ik dat ik ze persoonlijk kom halen als ze om klokslag half 3 niet van het terrein zijn. Terwijl ik wegloop schud ik in gedachten mijn hoofd. Die ouderen van tegenwoordig! En hun verhaal over dat grafbezoek geloof ik ook niet echt. Sensatiezoekers, dat zijn het!

Maar ik ben nog maar net terug bij de hoofdingang als ik tot mijn verbazing het blauwe autootje weer zie. De bestuurster draait het raampje open en roept dat ze hebben besloten morgen terug te komen. Oeps, verkeerd ingeschat! Ik steek mijn hoofd door de opening en geef haar als dank een zoen. Even later zijn de dametjes verdwenen.

Niet veel later verschijnt de kist met de Majoor. De muziek stopt. Er valt een diepe stilte, iedereen houdt zijn adem in. Alleen de marcherende voeten van de Heilssoldaten op het grint zijn te horen. Als we na de laatste genodigden de poort sluiten, kijk ik nog even door het hekwerk. Her en der staan belangstellenden, tot aan de overkant van de straat bij de bloemenman. Dan valt mijn oog op een klein blauw autootje, pontificaal geparkeerd op de stoep, recht tegenover de ingang. Twee grijze hoofden kijken gespannen door de voorruit naar wat er allemaal gebeurt. Alleen een verrekijker ontbreekt.

Marie-Louise Meuris.

Bron: Uitvaart Februari 2009


Kruislaan 126
1097 GA Amsterdam
Telefoon 020 608 06 08